|
Terschellinger Historie in een notendop
Ter koopvaardij
Al in de 7e eeuw voeren 'Friezen' de zee op, naar Engeland en het Oostzeegebied, om er handel te drijven. De kennis van deze vroegste Friese handel berust op muntvondsten tot in Rusland toe, de eerste geschreven berichten dateren uit de 8e eeuw. Voor het eerste schriftelijke bewijs van Terschellinger koopvaarderactiviteiten moeten we in Amsterdam zijn, in de biertolregisters. Daarvan zijn er twee bewaard gebleven. Het ene bevat geen als zodanig herkenbare Terschellinger schippers, het tweede wèl.
Elf Terschellinger schippers maakten toen samen 32 reizen van Hamburg naar Amsterdam met bier als lading en met daarnaast ook hout, spek, vlas, haring, noten, smeer, huiden en ijzer. Dat de Hamburger bierhandelaren aan risicospreiding deden blijkt duidelijk aan het grote aantal bevrachters per schip: 200 tonnen bier van 12 bevrachters, 178 van 13 bevrachters, 243 van 15 bevrachters. Voor de 14e eeuw moeten we het hiermee doen, de 15e eeuw levert al heel wat meer op.
Terschellinger schippers, daarin voorafgegaan door de Vlielanders, leverden in een aantal latere jaren meer doorvaarten op dan enige andere plaats waarvan de inwoners tolplichtig waren. Het staat overigens niet vast dat de opgaven door de schippers van hun woonplaatsen voor honderd procent betrouwbaar zijn. Vooral in de 18e eeuw waren schippers uit kleinere plaatsen nog wel eens geneigd niet hun woonplaats op te geven, maar de plaats waar hun schip thuishoorde.
|
|
De bark Plancius liep in 1840 op een Amsterdamse werf van stapel. Het schip werd gebouwd in opdracht van kapitein S.J. Rotgans van Terschelling.
|
Scheepvaart was, en is natuurlijk, een middel om je brood te verdienen, en als zodanig vooral vroeger niet bepaald zonder risico's. Kooplieden spreidden deze risico's door hun waren over meerdere schepen te verdelen, de scheepseigenaren door niet al hun geld in één schip te steken, maar door deel te nemen in meerdere schepen: partenrederij. Jan Ibesz, een Terschellinger schipper uit de eerste helft van de 17e eeuw, die zich in Amsterdam vestigde en koopman werd, bleek bij zijn overlijden in 1652 eigenaar van 123 scheepsparten te zijn, waarvan 23 in door Terschellinger schippers gevoerde schepen.
Een schipper moest in het bezit zijn van een zeebrief, een door burgemeesters afgegeven document, waaruit de nationaliteit van het schip bleek. In de periode 1705-1787 haalden 460 Terschellinger schippers die in Amsterdam. De doopsgezinden onder hen, 180, verklaarden niet bij solemnele ede maar bij ware woorden, dat hun schip in de Nederlanden thuis hoorde. In de periode 1744-1749 hebben de burgemeesters van Oost-Terschelling, die in Midsland zetelden, 25 zeebrieven afgegeven, de meeste aan walvisvaarders. Merkwaardig is, dat een aantal van hen een paar dagen later in Amsterdam een nieuwe zeebrief haalde.
Voor de laatste jaren van de 18e en de eerste helft van de 19e eeuw leveren de Amsterdamse monsterrollen lange rijen van Terschellinger zeelieden op. Opvallend is daarbij het grote aantal koks en ook het vrijwel ontbreken van timmerlieden. Onder de zeelieden uit Oost-Terschelling waren er heel wat, die na een aantal jaren de zee vaarwel zegden en het boerenbedrijf van vader of schoonvader voortzetten. Zeelieden uit West-Terschelling zochten het na een aantal jaren op zee vaak wat dichter bij huis, ze werden loods, of ze beperkten zich als kaagschipper tot de wateren van de Zuiderzee.
|